NFU rapport: Onderzoek en innovatie met en voor de gezonde regio

Interview prof. dr. A.J.J.A. (Albert) Scherpbier

Albert Scherpbier is decaan van de Faculty of Health, Medicine and Life Sciences en vicevoorzitter van de Raad van Bestuur van het Maastricht UMC+. Daarnaast is hij een van de auteurs van het onlangs verschenen NFU-rapport Onderzoek en innovatie met en voor de gezonde regio.

Albert Scherpbier

Op 1 april jl. heeft de voorzitter van de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU) het plan overhandigd aan minister Bruins van Medische zorg. Het plan schetst een verbindende rol van de universitair medische centra (umc's) in het oplossen van gezondheidsvraagstukken dicht bij huis. De ambities van de NFU sluiten daarmee prachtig aan op het advies Onderzoek waarvan je beter wordt dat de Gezondheidsraad in 2016 publiceerde. Dit advies vormde de aanleiding voor de oproep die minister Bruins in 2018 deed richting de gezamenlijke umc’s: “Ik verzoek de NFU om samen met relevante andere partijen een plan op te leveren hoe umc’s hun rol als regionale academische motor nog beter kunnen invullen, zodat meer en sterkere verbindingen worden gelegd in de hele kennisketen”

‘Think globally, act locally’, zo luidt de ondertitel van het rapport. Wat wordt daarmee bedoeld?

Als umc’s acteren wij op globaal niveau, waar we gezamenlijk belangrijk onderzoek doen en aan grootse spannende projecten werken. Tegelijkertijd realiseren we ons meer en meer dat we de kennis die we op globaal niveau opdoen, juist op lokaal vlak in de praktijk moeten brengen. Globaal en lokaal zijn dus geen tegengestelde krachten. Ze versterken elkaar. De afgelopen jaren hebben wij ons nog te weinig gericht op het versterken van onze relaties in de regio. Daar willen wij als umc’s nu onze verantwoordelijkheid nemen.

Op welke manier is dit plan tot stand gekomen?

Minister Bruins heeft ons gevraagd om een plan te maken waarin we onze regionale taak verder uitwerken. We hebben allerlei bijeenkomsten georganiseerd met partijen die in de regio van belang zijn: van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en zorgverzekeringen tot subsidieverstrekkers, patiëntenverenigingen en de burger in de wijk. We hebben al die spelers de ruimte gegeven om te delen wat zij graag anders zouden zien in de toekomst. Als umc’s realiseerden wij ons daarbij dat wij ook wel eens als vrij arrogant worden beschouwd. Eén van de belangrijke vragen was daarom: ziet iedereen hier een taak weggelegd voor ons als umc’s? Iedereen bleek die rol voor ons te zien, omdat wij over de juiste expertise beschikken. Vervolgens hebben we de meest succesvolle samenwerkingsprojecten in de regio’s geanalyseerd. Daaruit bleek dat met name de projecten waarbij daadwerkelijk alle partijen een bijdrage leveren – zowel inhoudelijk als financieel -  de meeste kans van slagen hebben.  Dat zijn de projecten die duurzaam zijn.

Wat ik sterk vind aan dit plan is dat we ook hebben meegenomen dat de verandering alleen van de grond kan komen als we ook op een andere manier gaan kijken naar het waarderen en belonen van wetenschappers. Tot nu toe worden onderzoekers vooral gewaardeerd voor fundamenteel onderzoek. Er zou een verschuiving moeten plaatsvinden waarbij niet alleen onderzoek van belang is, maar juist ook het écht werken aan innovatie. Het draait dan niet langer puur om het publiceren van artikelen, maar om het doen slagen van die innovaties in de zorg - ook buiten de muren van het ziekenhuis - en ze dichter bij de burger brengen. Dat is echt een nieuwe manier van denken. Die beweging is al langer gaande en past ook bij deze tijd. Tijdens de bijeenkomsten die we organiseerden, merkten we dat iedereen daar achter staat.

Nu dit landelijke plan van de NFU er ligt, zijn de regio’s aan zet. Wat kunnen we concreet verwachten?

Als NFU zijn wij de motor die het geheel in beweging zet. Maar het doel zou moeten zijn dat wij onszelf hierin overbodig maken. De partners in de regio moeten zich gezamenlijk eigenaar gaan voelen. Nu het plan er eenmaal ligt, kunnen en willen we niet langer stil blijven zitten. De vrijblijvendheid is er echt af. Iedereen voelt de urgentie. In de regio’s gaan we aan de slag en tegelijkertijd wisselen we landelijk onze ervaringen uit. Op die manier kunnen we veel van elkaar leren.

Wat er nu concreet in gang wordt gezet, verschilt per regio. De startsituatie verschilt overal. Bij ons in de regio rondom Maastricht gebeurt bijvoorbeeld al heel veel aan de zorgkant. In de missie en visie van ons umc staat dat wij willen voorkomen dat mensen in het ziekenhuis komen. Dat uit zich er bijvoorbeeld in dat onze specialisten al langere tijd veel buiten het ziekenhuis werken. Ze doen dat samen met huisartsen in de regio. Dat is heel leerzaam voor beide partijen. En doordat de zorg dichtbij de mensen staat, sluit het beter aan op hun behoeften. Een ander voorbeeld van een project in onze regio - waarbij de provincie een belangrijke rol speelt - is ‘De gezonde basisschool voor de toekomst’. Vanuit de gedachte dat je niet vroeg genoeg kunt beginnen met preventie, werken we hierbij samen aan gezonde voeding en meer bewegen voor basisschoolkinderen.

We doen dus al heel veel. Maar dat betekent zeker niet dat we nu stil gaan zitten. Dit is het moment om met onze partners in de regio te verkennen wat er nog meer speelt, waar we samen echt verschil kunnen maken en wat dan onze verwachtingen van elkaar zijn.

Bij het op tafel krijgen van de juiste onderzoeksvragen is samenwerking met de eindgebruiker - de patiënt of burger - cruciaal, zo stelt het plan. Hoe zou dat in de praktijk vorm kunnen krijgen?

Met de plannen die we nu hebben, zeggen we eigenlijk dat we de hele keten anders gaan organiseren. Al langere tijd kennen wij de oproep dat we aan valorisatie moeten doen. Oftewel: dat we de kennis die wij opdoen naar de markt moeten brengen. Maar nu gaan we nog een stap verder. We brengen onze deskundigheid niet alleen naar de markt, maar zorgen ook echt dat het bij de mensen terecht komt. We gaan bijvoorbeeld op wijkniveau het gesprek aan. Wat kunnen we doen om deze wijk leefbaarder en gezonder te maken? Ook onderwerpen op het gebied van preventie lenen zich bij uitstek voor samenwerking met de burger. Wij hebben al veel onderzoek naar die onderwerpen gedaan en willen burgers verleiden om bepaalde dingen anders te doen. Als die burgers mee kunnen denken over de oplossingsrichtingen, sluiten die beter aan bij hun eigen situatie. Dat maakt de kans van slagen natuurlijk vele malen groter.

Als u kijkt naar de inhoud van het rapport en de  manier waarop dit tot stand is gekomen. Waar bent u dan het meest trots op?

Het meest trots ben ik op al die mensen die steeds naar de bijeenkomsten zijn gekomen en op zo’n enthousiaste manier inbreng hebben gegeven. Zij zijn er echt voor gaan staan dat dit plan er moest komen. Er is enorm veel energie losgekomen om hier écht mee aan de slag te gaan.  Dat vind ik het mooiste resultaat.