‘Wat we waardig vinden kan voor iedereen anders zijn’

Dubbelinterview met prof. dr. Jan Nijhuis en dr. Brenda Mathijssen

Op verzoek van minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Kajsa Ollongren heeft de Gezondheidsraad een beoordelingskader opgesteld voor de toelaatbaarheid van nieuwe technieken voor lijkbezorging. Kernwaarden daarbij zijn veiligheid, waardigheid en duurzaamheid. We spreken over dit advies met commissievoorzitter prof. dr. Jan Nijhuis, emeritus hoogleraar verloskunde MUMC+ en met dr. Brenda Mathijssen, Universitair docent psychologie, cultuur en religie aan de Rijksuniversiteit Groningen en lid van de commissie.

Dr. Brenda Matthijssen en prof. dr. Jan Nijhuis

Een speciaal samengestelde commissie heeft zich gebogen over dit ethisch, religieus en maatschappelijk gevoelige vraagstuk. Kunt u uitleggen waarom dit zo’n gevoelig onderwerp is?

Brenda Mathijssen: Het onderwerp raakt aan iets wat ons allemaal aangaat in ultieme zin: we gaan een keer dood en dan moet er iets gebeuren met ons lichaam. Over het algemeen vinden we het heel belangrijk dat er op een respectvolle manier wordt omgegaan met de doden. Dat heeft te maken met lichamelijke integriteit en met waardigheid. Als we weten dat we anderen na hun dood op een goede manier behandelen, hebben we er bovendien vertrouwen in dat dat bij onszelf en onze naasten ook gebeurt. Dit gaat dus om hele fundamentele waarden. 

Jan Nijhuis: De gevoeligheid zit ook in de angst dat het advies zou leiden tot een beperking van de keuzevrijheid van mensen. We zijn als commissie dan ook heel nadrukkelijk weggebleven bij een discussie over of de ene methode beter of slechter is dan de andere. Ik herken die gevoeligheid uit de beginfase van diagnostiek en prenatale screening waar ik me als emeritus hoogleraar verloskunde in gespecialiseerd heb. De kennis die prenatale screening oplevert heeft alleen meerwaarde als alle opties open blijven. Dus in Nederland zullen wij nooit zeggen: je moet verplicht een NIPT doen; of: als je een kind met een chromosoomafwijking verwacht, dan moet je de zwangerschap afbreken. Op dezelfde manier zullen we nooit zeggen: begraven is minder duurzaam dus dat mag niet meer. We vinden het juist belangrijk dat er ruimte is voor de diversiteit die Nederland zo kenmerkt.

In het ontwikkelde beoordelingskader staan drie waarden centraal: veiligheid, duurzaamheid en waardigheid. Hoe is de commissie tot deze drie waarden gekomen?

Brenda Mathijssen: We zijn tot deze waarden gekomen door met elkaar in gesprek te gaan over welke aspecten er aan zo'n advies zitten en we hebben daar vanuit onze verschillende expertises onze visie op gegeven. Dan kom je al snel op de waarden veiligheid, duurzaamheid en waardigheid. Het gaat er met name om dat je komt tot een veilige manier van omgaan met het lichaam die niet schadelijk is voor mens en milieu. Daarbij hebben we vanuit diverse invalshoeken naar de overledene gekeken, in het bijzonder naar het stoffelijk overschot. Nieuwe methoden mogen in ieder geval het milieu niet meer belasten dan bestaande methoden. Dat sluit natuurlijk heel erg aan bij actuele duurzaamheidsvraagstukken.

Jan Nijhuis: We hebben het ook uitgebreid gehad over de vraag: hoe zorgen we dat we tot een kader komen dat specifiek genoeg is om nieuwe vormen van lijkbezorging te beoordelen, maar dat ook houdbaarheid heeft en dus langere tijd meegaat? De wereld verandert ontzettend snel en we weten nu nog niet welke technieken er de komende tien à vijftien jaar ontwikkeld worden. Daarbij weegt mee dat dit advies moet leiden tot een verandering van wetgeving. Je wil natuurlijk niet dat de minister dan over twee jaar opnieuw advies moet vragen omdat de waarden in het kader niet meer toepasbaar zijn. En voor een nieuwe techniek hoef je de wet niet meer te veranderen als die voldoet aan het kader.

Is het niet zo dat de waarde ‘waardigheid’ voor verschillende groepen een hele verschillende betekenis kan hebben?

Brenda Mathijssen: Dat wat we waardig vinden kan inderdaad voor iedereen anders zijn. Dat wordt beïnvloed door persoonlijke voorkeuren en door sociaal-culturele waarden. Ook de context waarin je leeft en bent opgegroeid speelt een grote rol. Maar wat al die verschillende mensen in verschillende culturen, landen, regio’s en families gemeen hebben is dat waardigheid op zichzelf belangrijk is. De manier waarop die waardigheid wordt ingevuld is vervolgens heel divers.

Als commissie hebben we eerst gekeken naar de bestaande methoden. Je mag in Nederland momenteel begraven, cremeren, doneren aan de wetenschap, of in sommige gevallen een zeemansgraf. Welke elementen van waardigheid zien we daarin? Daarnaast hebben we juist gesproken over hele andere culturele praktijken en hoe die zich verhouden tot de normen en waarden van uitvaartpraktijken in Nederland.

Jan Nijhuis: Er is bijvoorbeeld gekeken naar voorbeelden uit Zuidoost-Azië waar openluchtcrematies heel gebruikelijk zijn. Neem een land als India waar zwangere vrouwen niet verbrand mogen worden. Zij worden met stenen verzwaard in de heilige rivier de Ganges gegooid. Veel mensen zullen dit respectloos vinden. Ik ben er zelf getuige van geweest en ik vond het heel waardig en was enorm onder de indruk.

Brenda Mathijssen: Daarmee wil de commissie niet zeggen dat we openluchtcrematies al dan niet zouden moeten toestaan in Nederland. Wat we hebben gedaan is kijken naar wat die praktijken nu eigenlijk zeggen over de bril die wij zelf op hebben. Zo maken we onze eigen normatieve kaders zichtbaar en kunnen we daar als commissie kritisch op reflecteren.

Kunt u iets vertellen over de samenstelling van de commissie?

Jan Nijhuis: Voor dit bijzondere vraagstuk is een aparte commissie ingesteld. Het was een zeer multidisciplinaire groep, zoals kenmerkend is voor de Gezondheidsraad. In de commissie zaten experts die veel weten van de technische, scheikundige en biologische kant. Daarnaast waren er commissieleden die hun inbreng gaven vanuit de sociale en geesteswetenschappen. Dan gaat het vooral om vragen over ethiek, antropologie en psychologie.

Brenda Mathijssen: Als religiewetenschapper houd ik me bezig met menselijk gedrag tegen de achtergrond van grote levensvragen. Wat doen, denken en voelen mensen? En waarom? Ik heb me gespecialiseerd in de menselijke omgang met sterven, dood en rouw. Daarbij heb ik veel onderzoek gedaan naar de uitvaartcultuur in Nederland en Europa. Mijn inbreng in de commissie ging dan ook over vragen als: Hoe gaat men om met overledenen en de praktijken daaromheen? Wanneer is de uitvaart of de lijkbezorging afgelopen? En wat kunnen we leren van de omgang met de dood in andere tijden en op andere plaatsen?

De commissie geeft aan de term lijk in dit advies liever niet te gebruiken. Kunt u dat toelichten?

Brenda Mathijssen: Het woord lijk is niet in elke situatie even gepast. Wanneer een uitvaartverzorger bij een familie aan tafel zit om een uitvaart voor te bereiden, dan zal hij of zij eerder spreken over ‘de overledene’ of ‘het lichaam van de overledene’ dan van ‘het lijk’. In het eerste geval staat de persoon centraal, terwijl het woord lijk juist onpersoonlijk is. De moeilijkheid is dat een overledene eigenlijk allebei is: een object én een persoon. Het woord lijk kan overigens ook heel belangrijk zijn, bijvoorbeeld als je als patholoog een autopsie moet verrichten. Dan creëert het woord lijk een afstand die helpt om het werk te kunnen doen.

Ook de term resomeren die de minister in de adviesvraag gebruikt, is in het advies verdwenen?

Jan Nijhuis: We hebben er bewust voor gekozen om te spreken over alkalische hydrolyse omdat dit verwijst naar het scheikundige proces. De term resomeren is geclaimd door een commercieel bedrijf dat het proces op een bepaalde manier toepast. Het zou best kunnen dat de term resomeren in de volksmond blijft bestaan. Maar als commissie vonden we het belangrijk om een neutrale term te gebruiken die niet verbonden is aan een bepaalde aanbieder.

Het advies is inmiddels aangeboden aan de minister. Hoe ziet het vervolg eruit

Jan Nijhuis: Het is nu aan de minister om ons advies al dan niet over te nemen. Als dat wel gebeurt moet er een wetswijziging in gang worden gezet. Dat gaat niet van vandaag op morgen. We hopen natuurlijk dat het beoordelingskader dat we hebben ontwikkeld goed werkbaar blijkt voor de mensen die er vervolgens mee moeten gaan werken. En of er dan daadwerkelijk nieuwe vormen van lijkbezorging worden geïntroduceerd ligt voor een groot deel in handen van de industrie. Wij hebben op dit moment geoordeeld dat alkalische hydrolyse voldoet aan de criteria. Ik denk dat uitvaartondernemers staan de trappelen om met deze ontwikkeling aan de slag te gaan.

Brenda Mathijssen: Ik ben benieuwd of dit advies leidt tot persoonlijke gesprekken over onze omgang met de dood; over onze eigen wensen en die van onze naasten. Ook verwacht ik dat er maatschappelijke discussie zal ontstaan, bijvoorbeeld over het feit dat de commissie het composteren op dit moment nog niet toelaatbaar acht. Ik denk dat de symboliek van composteren veel mensen aanspreekt en ben benieuwd naar de toekomstige ontwikkeling daarvan. Daarnaast anticipeer ik op vragen over alkalische hydrolyse en dan met name over wat er gebeurt met de overblijfselen van dat proces: het kalkpoeder en de vloeistof. Die vloeistof wordt via het riool afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie en komt uiteindelijk weer in het oppervlaktewater. Wat betekent dat voor mensen in de praktijk? Gaan ondernemers verkennen of nabestaanden ook (een deel van) die vloeistof mee kunnen krijgen? Het zijn vragen naar de toekomst.