COVID-19: De rol van de Gezondheidsraad

Interview met prof. dr. Bart-Jan Kullberg, voorzitter Gezondheidsraad
Nederland wordt in z’n greep gehouden door de coronacrisis. Welke rol heeft de Gezondheidsraad in deze crisis? Hoe werken wij aan het vertalen van de stand van de wetenschap terwijl er nog zoveel onbekend is? We spreken hierover met voorzitter prof. dr. Bart-Jan Kullberg. “Voor mij persoonlijk is het natuurlijk opvallend dat ik, juist met mijn achtergrond als internist-infectioloog en hoogleraar infectieziekten, deze rol als voorzitter van de raad mag gaan vervullen in een periode waarin deze infectieziektecrisis onze wereld bepaalt. Deze twee werelden komen nu wel op een hele bijzondere manier samen.”

Prof. dr. Bart-Jan Kullberg nieuwe voorzitter Gezondheidsraad

De uitbraak van het coronavirus (COVID-19) is een pandemie waarbij ook Nederland zwaar wordt geraakt. Welke rol heeft de Gezondheidsraad in deze gezondheidscrisis?

Buiten crisistijd is de Gezondheidsraad hét orgaan als het gaat over het adviseren over de stand van de wetenschap aan regering en parlement. Maar bij een uitbraak van infectieziekten is bij wet geregeld dat er een Outbreak Management Team (OMT) wordt ingesteld. Het OMT adviseert aan het BAO, het bestuurlijk afstemmingsoverleg waaraan ambtenaren van de betrokken ministeries, maar bijvoorbeeld ook de GGD’en en afgevaardigden van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) deelnemen. Eerder adviseerde het OMT bijvoorbeeld over de vogelgriep. Vergeleken met de huidige situatie was dat een relatief beperkte en kortdurende uitbraak. Het OMT is gewend om in een crisissituatie, net als nu, snel en slagvaardig te werk te gaan. We mogen constateren dat de Nederlandse manier van de intelligente lockdown uitstekend werkt; de curve is omgebogen en we doen het minstens net zo goed als de meeste andere landen.

Nu er in deze crisis wordt toegewerkt naar de transitiefase waarbij wordt gekeken naar het versoepelen van de maatregelen, onderkent ook het OMT dat het belangrijk is om naast de medische aspecten ook andere facetten mee te wegen. Overigens vind ik het belangrijk om daarbij op te merken dat op dit moment de oversterfte nog heel groot is en de ziekenhuizen nog werken op meer dan het drievoudige van hun normale capaciteit. Hoezeer we ook allemaal snakken naar versoepelingen, we moeten ons ook realiseren dat het virus nog wel even bij ons blijft en dat we nog een lange weg te gaan hebben als het gaat om het opvangen van zieken en oversterfte. Toch kijken we inmiddels ook vooruit. En wanneer die brede blik nodig is op de stand van de wetenschap, kan de Gezondheidsraad daar een belangrijke rol spelen. Onze kracht zit nu juist in die brede multidisciplinaire blik. In ons netwerk hebben we niet alleen medisch deskundigen, maar bijvoorbeeld ook sociaal maatschappelijke, ethische en juridische experts.

Een mooi voorbeeld van wat dat kan opleveren, hebben we laten zien met de wetenschappelijke videoconferentie die we op 19 april jl. organiseerden over apps als onderdeel van een exit-strategie. We nodigden experts uit verschillende disciplines uit om in gesprek te gaan over de diverse aspecten van het gebruik van tracking and tracing-apps. Uit de discussiebijeenkomst is een aantal belangrijke randvoorwaarden naar voren gekomen waaronder betrouwbaarheid, toegankelijkheid, informatie, rechtvaardigheid, adequate toetsing en monitoring, verantwoordelijkheid en waarborgen van privacy. De minister gaf na afloop aan onze constatering over te nemen dat niet de technologie zelf de uitweg uit de lockdown zal bieden, maar het gedrag van de mensen in de samenleving.

De komende periode moeten we bekijken hoe wij het OMT en de bewindslieden in de transitiefase verder kunnen ondersteunen met onafhankelijke, wetenschappelijke en multidisciplinaire adviezen. Ook kijken we nu al naar het werkprogramma van volgend jaar, waarin de gevolgen en lessen van corona een rol zullen spelen. We weten nu al dat deze crisis een enorme nasleep zal hebben met zowel medische als maatschappelijke impact. We verwachten dat we een goede rol kunnen spelen in het vertalen van de stand van de wetenschap daarbij.

U noemt de rol van de Gezondheidsraad: ‘het vertalen van de stand van de wetenschap’. Hoe werkt dat wanneer er nog zo weinig wetenschap beschikbaar is?

Zowel bij de persconferenties van het kabinet als in discussies in de media zien we hoe belangrijk de rol van de wetenschap is in dit soort situaties. We moeten ons daarbij realiseren dat het hier gaat om een volkomen nieuw virus waar we wereldwijd nog maar weinig vanaf weten. Ik citeer premier Rutte die in één van de persconferenties stelde: "In crises als deze moet je met 50 procent van de kennis 100 procent van de besluiten nemen". De medische wereld leert van dag tot dag. Minder dan twee maanden geleden wisten we bijvoorbeeld nog helemaal niet hoe het virus zich zou verspreiden, hoe het virus zich gedraagt bij jonge kinderen en of mensen zonder symptomen het virus kunnen overdragen. In slechts een paar weken tijd zijn we daarin grote stappen verder.

Ik ben blij dat het belang van kennisontwikkeling ook in Nederland snel is onderkend. Al in het beginstadium van de crisis constateerde ik dat het nodig was om snel middelen vrij te maken om onderzoek in gang te zetten dat gericht is op interventies die snel het verschil zouden kunnen maken in het ‘afvlakken van de curve’. Dat is door het ministerie van VWS en ZonMw indrukwekkend snel opgepakt. De eerste projecten zijn meteen van start gegaan en er wordt in mei een aanvullend onderzoeksprogramma gestart waarbij meer aandacht is voor de bredere maatschappelijke gevolgen van de crisis en de aanpak daarvan op de langere termijn.

Ook in het spoedadvies COVID-19 en vaccinatie tegen pneumokokken dat wij onlangs publiceerden, heeft de commissie gebruik gemaakt van twee Nederlandse onderzoeken. Dat laat zien dat in Nederland ook in die eerste weken al behoorlijk wat kennis is vergaard en in dit geval zelfs meer dan we hierover bijvoorbeeld vanuit China konden vinden. Op basis daarvan hebben we staatssecretaris Paul Blokhuis van VWS geadviseerd bij de dit najaar te starten vaccinatie van ouderen tegen pneumokokken te beginnen bij de mensen van 70 tot en met 79 jaar, omdat de mensen met de hoogste leeftijden het meest kwetsbaar zijn. Het adviestraject was een snelkookpan waarbij de commissie in slechts twee weken tot een aangepast advies kwam. Een knap staaltje werk, waarmee we slagvaardigheid van de raad laten zien.

Een ander voorbeeld van de manier waarop we het advieswerk in gang zetten terwijl de wetenschap nog volop in ontwikkeling is, zal zichtbaar worden bij ons advies over passieve en actieve immunisatie dat minister Hugo de Jonge van VWS onlangs in een kamerbrief aangekondigde. In dit geval is er nog helemaal geen vaccin. Toch kan een commissie nu al veel voorwerk doen. Want wanneer er wel een vaccin is, zal dat niet meteen voor 17 miljoen Nederlanders beschikbaar zijn. Dat roept vragen op over wie je als eerste gaat vaccineren. Zijn dat bijvoorbeeld ouderen, mensen met overgewicht, of diabeten? Wekelijks komen er in de wetenschap nieuwe gegevens vrij over het verloop van de ziekte bij specifieke groepen. De commissie zal de wetenschap dus continu monitoren. Op het moment dat er een vaccin beschikbaar komt en we weten welke eigenschappen dat vaccin heeft, bijvoorbeeld met betrekking tot effectiviteit en veiligheid, kunnen we dat combineren met de kennis die we al hebben opgedaan. Dan kunnen we bijvoorbeeld vrij snel bepalen welke groepen als eerste in aanmerking komen voor vaccinatie.

Hoe kijkt u terug op uw eerste vier maanden als voorzitter van de Gezondheidsraad, te midden van deze ongekende gezondheidscrisis?

Het is een bijzondere periode voor iedereen. Voor mij persoonlijk is het natuurlijk opvallend dat ik, juist met mijn achtergrond als internist-infectioloog en hoogleraar infectieziekten, deze rol als voorzitter van de raad mag gaan vervullen in een periode waarin deze infectieziektecrisis onze wereld bepaalt. Deze twee werelden komen nu wel op een hele bijzondere manier samen.

Ik ben blij dat ik nog enkele maanden volgens de normale wijze heb kunnen werken. Nu doen we alles op afstand. Net als veel mensen mis ik daarbij wel het dagelijks contact met de collega’s. Gelukkig hebben we in het advieswerk heel snel een goede modus kunnen vinden in het werken op afstand. Commissievergaderingen vinden plaats via video-conferencing en de medewerkers van het secretariaat laten alles vanuit hun thuiswerkplekken in goede banen verlopen. Het is mooi dat de adviezen die in ons werkprogramma gepland stonden, vrijwel volgens planning zullen verschijnen.