Omwonenden van geitenhouderijen lopen een beduidend hoger risico op longontstekingen dan mensen die niet dichtbij een geitenhouderij wonen. Volgens de Gezondheidsraad kunnen omwonenden daartegen beschermd worden met maatregelen die de uitstoot uit geitenstallen verminderen en met afstandsnormen voor nieuwe geitenhouderijen of woningen.
Uit onderzoek binnen het programma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) komt een verband naar voren tussen wonen in de buurt van geitenhouderijen en longontstekingen. In juli 2025, in een eerste deeladvies, concludeerde de gezondheidsraadcommissie Veehouderij en gezondheid dat dat verband waarschijnlijk oorzakelijk is en dat dat voldoende aanleiding is om op basis van het voorzorgbeginsel maatregelen te nemen. In het tweede deeladvies onderstreept de commissie de noodzaak voor maatregelen. Binnen een woonafstand van 1 kilometer van een geitenhouderij blijken mensen een beduidend hoger risico te lopen op een longontsteking dan mensen die niet in de buurt van een geitenhouderij wonen. Vergeleken bij de blootstelling aan andere bronnen van luchtverontreiniging of andere schadelijke milieufactoren is dat risico aanzienlijk.
Volgens de commissie is het aannemelijk dat longontstekingen in de buurt van geitenhouderijen worden veroorzaakt door een samenspel van verschillende factoren, waarbij uitstoot van micro-organismen, fijnstof en endotoxinen een belangrijke rol speelt. Het verminderen van de uitstoot bij de bron is volgens de commissie de meest aangewezen manier om blootstelling van omwonenden te beperken. Dat kan waarschijnlijk met maatregelen gericht op het type stal en op het stalmanagement (bijvoorbeeld de wijze van uitmesten). De commissie adviseert om te monitoren welke maatregelen het meest effectief zijn.
Ook met afstandsnormen kunnen de gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen verminderd worden. De commissie adviseert om uit voorzorg ten minste 1 kilometer afstand aan te houden bij nieuwe vestiging van een geitenhouderij en bij nieuwbouw van woningen of andere gebouwen waar mensen lang verblijven – zeker zo lang niet duidelijk is of uitstootverminderende maatregelen afdoende zijn.
Veelgestelde vragen
De Gezondheidsraad heeft als wettelijke taak regering en parlement op basis van de stand van de wetenschap te adviseren op het brede terrein van de volksgezondheid en gezondheidszorg. Adviezen van de Gezondheidsraad stoppen niet bij een wetenschappelijke analyse. Op basis van de stand van wetenschap en inzicht in de uitvoeringspraktijk en in de maatschappelijke, politieke en bestuurlijke context waarin de adviezen landen schetst de raad ook handelingsperspectieven.
De Gezondheidsraad heeft naar aanleiding van eerdere onderzoeken binnen het programma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) ook een advies uitgebracht. Daarin heeft de raad onder andere aangegeven dat verder onderzoek wenselijk zou zijn. Begin 2025 is de Gezondheidsraad gevraagd om de wetenschappelijke inzichten te actualiseren en opnieuw te duiden. De resultaten van het nieuwe VGO-III onderzoek zijn daarin meegenomen.
In het 1e deeladvies gaat het vooral om de duiding van de beschikbare wetenschappelijke literatuur over het verband tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en het risico op longontsteking. In het 2e deeladvies beantwoordt de commissie meer gedetailleerde vragen over de ernst en omvang van de gezondheidseffecten bij omwonenden van geitenhouderijen en de factoren die van invloed zijn op het risico op longontsteking.
Adviescommissies van de Gezondheidsraad brengen de stand van de wetenschap in kaart en analyseren alle beschikbare wetenschappelijke informatie. Daarbij staan ze uitgebreid stil bij de sterktes en zwaktes van alle wetenschappelijke onderzoeken die zij tot hun beschikking hebben. De commissieleden vertegenwoordigen verschillende disciplines die nodig zijn om de adviesvraag op een wetenschappelijk verantwoorde manier te beantwoorden. De commissie heeft daarnaast andere deskundigen en organisaties van belanghebbenden geraadpleegd.
In het 1e deeladvies stelde de commissie vast dat er waarschijnlijk sprake is van een oorzakelijk verband tussen wonen in de nabijheid van geitenhouderijen en longontstekingen. Volgens de commissie vormt dit voldoende aanleiding voor overheden om op basis van het voorzorgsbeginsel gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen te beperken. Het voorzorgsbeginsel geeft immers een grondslag voor het treffen van maatregelen wanneer er op basis van de beschikbare wetenschappelijke kennis gegronde redenen zijn om aan te nemen dat activiteiten negatieve gevolgen hebben voor de gezondheid, maar er nog enige onzekerheid bestaat over de exacte oorzaak en de aard en ernst van het gezondheidsrisico. De brede beschouwing van de gezondheidsimpact van wonen in de nabijheid van geitenhouderijen die commissie voor het voorliggende 2e deeladvies heeft uitgevoerd, onderstreept de noodzaak voor maatregelen. Binnen een woonafstand van 1 kilometer van een geitenhouderij blijken mensen een beduidend hoger risico te lopen op een longontsteking dan mensen die niet in de buurt van een geitenhouderij wonen. Vergeleken bij de blootstelling aan andere bronnen van luchtverontreiniging of andere schadelijke milieufactoren is dat risico aanzienlijk.
Nee, daar gaat de Gezondheidsraad niet over. De Gezondheidsraad biedt in deel II een handreiking voor het type maatregelen dat effectief kan zijn om gezondheidsrisico’s voor omwonenden van geitenhouderijen te beperken. Volgens de Gezondheidsraad gaat het daarbij om maatregelen die de uitstoot uit geitenstallen verminderen en afstandsnormen voor nieuwe geitenhouderijen of woningen. Daarnaast geeft de Gezondheidsraad aan dat bij wijziging van bestaande situaties een beperking van de omvang van geitenhouderijen mogelijk bijdragen kan aan het terugdringen van het gezondheidsrisico. Daarbij verdienen situaties waarbij meerdere geitenhouderijen aanwezig zijn binnen een afstand van 1 kilometer van gevoelige bestemmingen bijzondere aandacht.
In berichtgeving die in de media verscheen voordat het tweede deeladvies werd gepubliceerd, werd gesuggereerd dat de Gezondheidsraad het toepassen van afzuiginstallaties in stallen, bouwbeperkingen en het laten krimpen van de geitensector aanbeveelt. Dat is niet correct. Een besluit over het nemen van maatregelen is aan de ministers, provincies en gemeenten. De Gezondheidsraad beschrijft in het tweede deeladvies welke overwegingen overheden mee kunnen nemen in de besluitvorming. Dat doet de raad op basis van een beoordeling van de beschikbare wetenschappelijke literatuur, waarbij zo veel mogelijk verschillende invalshoeken worden meegenomen. De raad is daarbij rolvast: het is aan beleidsmakers en politiek om de adviezen af te wegen tegen andere zaken, zoals de belangen van betrokkenen, financiële overwegingen of andere beleidsaspecten.
