In Nederland krijgen alle zwangeren vroeg in de zwangerschap bloedonderzoek aangeboden. Een van de doelen van deze prenatale screening is om bloedgroepantistoffen op te sporen. Het ministerie van VWS heeft gevraagd of HPA-1a-antistoffen toegevoegd moeten worden aan de screening. 

Wanneer de zwangere HPA-1a-negatief is en het kind HPA-1a-positief, kan de zwangere antistoffen aanmaken die de bloedplaatjes van het kind afbreken. Als dat gebeurt is er sprake van FNAIT, een zeldzame aandoening die kan leiden tot hersenbloedingen. Door tijdens de zwangerschap te testen op de aanwezigheid van HPA-1a-antistoffen, kan het risico op FNAIT vroegtijdig gesignaleerd worden en kan de zwangere preventief behandeld worden. Naar verwachting kunnen zo alle FNAIT-gerelateerde hersenbloedingen bij ongeboren en pasgeboren kinderen voorkomen worden. Dat zijn er naar schatting minimaal 4 per jaar. 

Het nadeel is dat niet alle zwangeren bij wie HPA-1a-antistoffen aangetroffen worden het risico lopen op een kind met FNAIT. Zij krijgen op basis van de screeningsuitslag behandeling aangeboden, terwijl ze ook zonder screening en behandeling geen kind met FNAIT zouden hebben gekregen. De wekelijkse 3 uur durende behandeling met een infuus is in dat geval voor niets geweest. Omdat de omvang van deze overbehandeling op dit moment niet duidelijk is, kan de Gezondheidsraad niet beoordelen of het voordeel van de te behalen gezondheidswinst daar tegenop weegt. Daarom adviseert de Gezondheidsraad om de screening op HPA-1a-antistoffen vooralsnog niet aan te bieden. 

Omdat met screening op HPA-1a-antistoffen potentieel alle gevallen van FNAIT te voorkomen zijn is het volgens de Gezondheidsraad van belang dat er meer duidelijk wordt over de te verwachte omvang van de overbehandeling en over manieren om die verantwoord omlaag te krijgen.