Naar het menu

Veiligheid van aminozuursuppletie

Status

Gepubliceerd
11 mei 1999

Download publicaties

Het toevoegen van aminozuren aan voedings­middelen en voedingssupplementen is in Nederland verboden, behalve voor bepaalde zeer specifieke toepassingen. Vanwege de groeiende belangstelling voor supplementen met voedingsstoffen, waaronder ook aminozuren, buigt een commissie van de Gezondheidsraad zich in dit advies, uitgebracht op verzoek van de bewindslieden van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, over de veiligheidsaspecten van het toevoegen van aminozuren aan voedings­middelen en -supplementen.

Aminozuren zijn bouwstenen voor eiwit, één van de bestanddelen waaruit alle levende organismen zijn opgebouwd. Verder spelen verschillende aminozuren een rol als neurotransmitter of hormoon, of als voorloper van één van beide. Sommige aminozuren kan een gezond lichaam zelf in voldoende mate maken, te weten: alanine, arginine, asparagine, asparaginezuur, cysteïne en cystine, glutamine, glutaminezuur, glycine, proline en hydroxiproline, serine en tyrosine. Andere moeten via de voeding worden ingenomen. Dit zijn de essentiële aminozuren: fenylalanine, histidine, isoleucine, leucine, lysine, methionine, tryptofaan, threonine en valine. Behalve deze 22 komen in dit advies de aminozuren ornithine en citrulline ter sprake. Het zijn stofwisselingsproducten van de eerder genoemde aminozuren, die niet in eiwit worden ingebouwd. Zij ontstaan in de darm, de lever en de nieren.

Er kunnen verschillende motieven zijn voor toevoeging van aminozuren aan voedings­middelen en -supplementen. Cyst(e)ïne, glutaminezuur en glycine en verschillende van hun zouten zijn toegestaan als additief vanwege hun technologische of sensorische eigenschappen. Een andere motief voor het toevoegen van aminozuren kan zijn de verbetering van de ’eiwitkwaliteit’ van het voedsel. In sommige landen, onder meer de VS, is toevoeging van aminozuren ter verbetering van de ’eiwitkwaliteit’ onder strikte voorwaarden toegestaan.

Opname van aminozuren vanuit het maagdarmkanaal en opname in organen en weefsels geschiedt via transportsystemen die verschillende groepen aminozuren met elkaar delen. Dit betekent dat aminozuren elkaars transport en opname onderling kunnen beïnvloeden. Bij de beoordeling van de veiligheid moet hiermee rekening worden gehouden. Kwantitatieve gegevens ontbreken echter.

In 1992 verscheen het rapport ’Safety of amino acids as dietary supplements’ van de Amerikaanse Federation of American Societies for Experimental Biology (FASEB). Daarin werd geconcludeerd dat er onvoldoende gegevens beschikbaar waren om de veiligheid van aminozuren bij gebruik als voedingssupplement te beoordelen. Er waren wel enkele aanwijzingen voor nadelige gevolgen voor de gezondheid van het gebruik van sommige aminozuren, maar voor geen enkel aminozuur kon een veilige bovengrens voor inname via voedingssupplementen worden aangegeven. De commissie onderschrijft de conclusies van het FASEB-rapport.

In de meer recente literatuur vond de commissie geen informatie die aanvullende conclusies toelaat. Toch presenteert de commissie in dit advies maximaal aanvaardbare waarden voor het toevoegen van aminozuren aan voedsel (inclusief voedingssupplementen). Zij kiest voor een algemene aanpak waarin zij de hoeveelheid aminozuren die aanwezig is in de door de Voedingsraad aanbevolen hoeveelheid eiwit voor vrouwen gebruikt voor het vaststellen van bovengrenzen. Vervolgens heeft de commissie vastgesteld dat de algemene aanpak voor elk afzonderlijk aminozuur, met uitzondering van methionine, geen waarden oplevert waarbij — voor zover onderzoek is gedaan — ongewenste effecten zijn gezien.

Download publicaties

Gezondheidsraad. Veiligheid van aminozuursuppletie. Den Haag: Gezondheidsraad, 1999; publicatie nr 1999/06. ISBN  90-5549-257-4

Nieuwsflits