Naar het menu

Rijgeschiktheid van personen met een geïmplanteerde cardioverter-defibrillator

Status

Gepubliceerd
26 januari 2000

Download publicaties

In dit advies geeft een commissie van de Gezondheidsraad een herbeoordeling van de medische geschiktheid voor deelname van personen met een zogeheten implanteerbare cardioverter-defibrillator (ICD) aan het gemotoriseerde verkeer. Volgens de huidige wettelijke bepalingen geldt voor deze mensen een absoluut rijverbod. In de wetenschappelijke literatuur wordt vanaf medio jaren negentig gesteld dat sommige ICD-dragers onder voorbehoud geschikt kunnen worden verklaard voor het besturen van een motorvoertuig. Ook lijkt de Europese richtlijn hier enige ruimte te laten.

Op basis van een risicobeoordeling, en rekening houdend met het huidige toepassingsgebied voor ICD-implantatie, komt de commissie tot de conclusie dat twee subgroepen van ICD-dragers onder voorwaarden medisch rijgeschikt kunnen worden verklaard en dan uitsluitend voor rijbewijzen van groep 1 (de lichte categorie motorvoertuigen). In alle gevallen kan de rijgeschiktheid bovendien pas gelden na een observatieperiode van zes maanden na ICD-implantatie. De twee subgroepen zijn: personen bij wie om een profylactische reden een ICD is geïmplanteerd en laagrisico-patiënten bij wie om een primair therapeutische reden een ICD is ingebracht.

De commissie formuleert een voorstel tot wijziging van de wettelijke regeling.


Download publicaties

Gezondheidsraad. Rijgeschiktheid van personen met een ge‹mplanteerde cardioverter-defibrillator. Den Haag: Gezondheidsraad, 2000; publicatie nr 2000/02. ISBN  90-5549-305-8

Nieuwsflits