Naar het menu

Protocollen asbestziekten: asbestose

Status

Gepubliceerd
29 maart 1999

Download publicaties

Asbest is een siliciumhoudende minerale delfstof waarvan de grootschalige productie omstreeks 1870 op gang kwam toen het gebruik van brandwerend isolatiemateriaal toenam. Omstreeks 1900 werden de gunstige eigenschappen van asbestcement ontdekt, een product dat hier te lande als Eternit bekend werd. Vanaf 1930 nam in Nederland het gebruik van asbest sterk toe. In die tijd werd ook duidelijk dat asbest invloed op de gezondheid kan hebben. De relatie tussen werk in de asbestindustrie en verbindweefseling van de long, de zogenoemde diffuse longfibrose, werd toen al aangetoond. Na de Tweede Wereldoorlog werd een relatie met longkanker en in 1960 een verband met maligne mesothelioom vastgesteld.
Vanaf 1970 groeide ook in Nederland de bezorgdheid over de invloed van asbest op de gezondheid en werden progressief beschermende maatregelen in asbestverwerkende bedrijven ingevoerd. In 1978 volgde de publicatie van het Asbestbesluit. In 1993 werden de opslag en de verwerking van asbest in ons land bij wet verboden.

Hoewel iedereen in Nederland is blootgesteld aan asbest, blijken asbestziekten vrijwel uitsluitend op te treden na beroepsmatige blootstelling. De belangrijkste ziekten zijn maligne mesothelioom, asbestose en longkanker. Over maligne mesothelioom verscheen een eerder advies van de Gezondheidsraad. Het huidige advies is gewijd aan asbestose.

Asbestose is een chronische ziekte, waarbij door opruiming van ingeademde asbestvezels diffuse ontstekingsreacties en celgroei worden gestimuleerd, die leiden tot bindweefselvorming in de longen. Door deze bindweefselvorming ontstaat een ernstig verlies van elasticiteit en gaat het zuurstofopnemend vermogen van de long achteruit. Dit leidt op den duur tot kortademigheid, invaliditeit en overlijden. Ongeveer de helft van de patiënten met asbestose overlijdt aan een vorm van longkanker.

Protocol asbestose

In het voorliggende advies beveelt de commissie een protocol aan voor het vaststellen van door beroepsmatige blootstelling verkregen asbestose.

De diagnose wordt in verschillende stappen gesteld, achtereenvolgens het aantonen van bindweefselvorming in de long, het vaststellen van de mate waarin de getroffene in zijn beroep is blootgesteld geweest aan asbest en de ziekte zich als gevolg daarvan kon ontwikkelen en het vaststellen van de ernst van de stoornissen in de longfunctie veroorzaakt door de genoemde bindweefselvorming.

De eerste stap is het op morfologische gronden vaststellen van een verbindweefseling (diffuse longfibrose), meestal met behulp van technieken uit de röntgendiagnostiek zoals de high-resolution computertomografische scan (HRCT). Indien aanwezig kan ook een biopt gebruikt worden om de longfibrose vast te stellen. De commissie wijst het echter af om hiervoor een biopt te eisen omdat dit bij een patiënt met asbestose een voor dit doel niet verantwoorde ingreep zou betekenen.

Na het aantonen van de fibrose dient zo mogelijk de relatie met asbest in de long te worden aangetoond op grond van een beroepsanamnese. In Nederland is het als gevolg van de zeer spaarzaam voorhanden zijnde historische gegevens over de blootstelling aan asbest tijdens de arbeid niet realistisch te verwachten dat een volledig kwantitatieve benadering van de ondergane asbestblootstelling kan worden verkregen. De commissie meent daarom dat genoegen genomen kan worden met de kwalitatieve vaststelling dat de betrokkene in zijn beroep blootgesteld is geweest in een mate die groter is dan de drempelwaarde die voor het ontwikkelen van een asbestose noodzakelijk wordt geacht. Dit kan worden bepaald door, op grond van een af te nemen arbeidsanamnese en met behulp van de wél aanwezige historische blootstellingsgegevens uit binnen- en buitenland voor een aantal belangrijke bedrijven en beroepen, een benadering te maken van de mogelijke totale blootstelling en vast te stellen of deze de drempelwaarde overschrijdt. Op grond van recente buitenlandse epidemiologische onderzoeksgegevens komt de commissie tot de conclusie dat deze drempelwaarde overeenkomt met een minimale blootstelling van vijf vezeljaren. Daarnaast dient de blootstelling aan asbest van de zieke minstens vijftien jaar voor het manifest worden van de ziekte te zijn aangevangen. De mate van ernst van de aandoening wordt geclassificeerd volgens het systeem van de ’European Respiratory Society’.

Wanneer de beroepsanamnese onvoldoende houvast biedt en er wel een biopt beschikbaar is kan de conclusie dat er sprake is van een asbestose ook worden bereikt door vast te stellen dat de oorzaak van de fibrose gelegen is in de aanwezigheid van asbestvezels of asbestlichaampjes in de long. Als er geen biopsie aanwezig is kan dit ook worden bereikt door het resultaat van een longspoeling (BAL) te beoordelen. Wél moet dan vaststaan dat de betrokkene werkzaam is geweest in een beroep of bedrijf waar asbestblootstelling plaats kon vinden en dat deze werkzaamheden meer dan vijftien jaar voordien zijn aangevangen.

Stoornissen in de longfunctie dienen met standaard longfysiologische technieken te worden vastgesteld in laboratoria die regelmatig dergelijke bepalingen verrichten en op kwalitatieve gronden daarvoor zijn gecertificeerd. De commissie adviseert er voor zorg te dragen dat deze centra regionaal zijn gespreid.

Omdat ook na lange tijd nog een toeneming van de stoornis van de longfunctie kan optreden, adviseert de commissie de mogelijkheid open te stellen om na een periode van drie jaar tot een herbeoordeling van de longfunctiestoornis te komen.

Download publicaties

Gezondheidsraad. Protocollen asbestziekten: asbestose. Den Haag: Gezondheidsraad, 1999; publicatie nr 1999/04. ISBN  90-5549-254-X

Nieuwsflits