Naar het menu

Hormoonontregelaars in ecosystemen

Status

Gepubliceerd
22 juli 1999

Download publicaties


De laatste jaren zijn bij een groot aantal diersoorten verstoringen van de voortplanting gevonden die zijn toegeschreven aan de invloed van bepaalde stoffen in het milieu op hormoonsystemen. In diverse publicaties is het vermoeden geuit dat dergelijke stoffen ook de mens beïnvloeden. De Gezondheidsraad heeft in 1997 geconcludeerd dat de juistheid van dit vermoeden voor de Nederlandse bevolking niet is aangetoond. In het voorliggende advies beschrijft de Raad — op verzoek van de Minister van VROM — de stand van de wetenschap inzake de invloed van hormoonontregelende stoffen op de voortplanting van dieren in Nederlandse ecosystemen.

De commissie richt zich primair op stoffen die aangrijpen op de geslachtshormoonhuishouding. Zij noemt een stof een hormoonontregelaar als deze de voortplanting kan verstoren. Zijdelings beschouwt zij ook de effecten van stoffen op de schildklierhormoonhuishouding, gezien het belang van dit systeem voor de ontwikkeling en de voortplanting.

Om de betekenis van hormoonontregelaars voor de Nederlandse situatie in kaart te brengen, heeft de commissie het in ons land verrichte veldonderzoek geïnventariseerd. Daarnaast heeft zij ongeveer tachtig pesticiden en stoffen van industriële herkomst geclassificeerd naar hun hormoonontregelende potentie in het Nederlandse milieu. Ook de aanwezigheid en de mogelijke invloed van een aantal natuurlijke en synthetische hormonen komen aan de orde. Deze stoffen worden door de mens en vooral door landbouwhuisdieren in aanzienlijke hoeveelheden uitgescheiden.

In tegenstelling tot hetgeen bekend is over de situatie bij de mens zijn bij dieren in Nederlandse ecosystemen wel effecten op de voortplanting aangetoond of aannemelijk. De meeste onderzoeken hebben betrekking op dieren in aquatische ecosystemen (inclusief vogels en zoogdieren die hun voedsel aan die systemen ontlenen); over de gevolgen van deze stoffen voor op het land levende dieren is veel minder bekend.

Onder de mogelijk met de aanwezigheid van dergelijke stoffen in het compartiment water geassocieerde schadelijke effecten neemt zogeheten interseksualiteit een prominente plaats in. Bepaalde slakkensoorten in de kustgebieden van de Noordzee zijn in mindere of meerdere mate door één enkele stof (tributyltin) aangetast. Onbekend is de doorwerking hiervan op populaties van andere soorten die zich in de voedselketen bevinden, en op het functioneren van een ecosysteem als geheel. Ook bij vissen zijn ongunstige verschijnselen gevonden die zijn toe te schrijven aan de invloed van hormoonontregelende stoffen. Het is echter nog onduidelijk om welke stoffen het gaat en op welke schaal zich effecten voordoen. Blijkens Brits onderzoek is er een associatie tussen interseksualiteit (die op grote schaal bij bepaalde vispopulaties is gevonden) en het voorkomen van verhoogde gehaltes van een bepaald eiwit (vitellogenine) bij mannetjesvissen. Dergelijke verhogingen wijzen op een oestrogeen effect, veroorzaakt door in het milieu aanwezige stoffen. Uit het nog beperkte onderzoek onder vispopulaties in ons land blijkt dat er in de Nederlandse estuaria eveneens sprake is van een verhoging.

Bij bepaalde soorten van visetende vogels en (zee)zoogdieren zijn volgens de commissie negatieve effecten van DDE, PCB's en dioxines op de reproductie voldoende aangetoond. Door die effecten is de omvang van (plaatselijke) populaties verminderd. Vooral in sedimentatiegebieden van Rijn, Maas en Schelde zijn de milieuconcentraties van genoemde stoffen nog dermate hoog dat voor aldaar levende visetende toppredatoren nog steeds een ongunstige invloed op de reproductie en de ontwikkeling te verwachten is.

Van ongeveer tachtig als verdacht beschouwde pesticiden en stoffen van industriële herkomst bestempelt de commissie er 34 als (potentiële) hormoonontregelaars in Nederland. Het gaat hier om alkylfenolen, organochloor-, organobroom- en organotinverbindingen, ftalaten en triazines. Sommige van deze stoffen — bijvoorbeeld de organochloorverbindingen — zijn vooral in het verleden gebruikt, van andere is de toepassing — en daarmee de verspreiding in het milieu — van meer recente datum. Voorbeelden van deze laatste zijn de persistente organobroomverbindingen die al diep in de voedselketen in de oceanen zijn doorgedrongen. Voor de meeste stoffen zijn uitsluitend gegevens over zoogdieren beschikbaar. Daardoor is voor die stoffen niet na te gaan in hoeverre zij een rol spelen bij in het water levende dieren.De commissie merkt ook enkele natuurlijke en synthetische oestrogenen aan als hormoonontregelaars. Deze stoffen worden door de mens en vooral door landbouwhuisdieren in aanzienlijke hoeveelheden uitgescheiden en komen door uitspoeling en via rioolwaterzuiveringsinstallaties in het oppervlaktewater terecht.

De concentraties van deze zeer potente hormonen zijn in de grote rivieren, globaal genomen, voldoende hoog voor het teweegbrengen van effecten bij aquatische dieren. De commissie wijst erop dat het aannemelijk is dat nog hogere concentraties van natuurlijke hormonen voorkomen in het oppervlakte water in gebieden met intensieve dierhouderij.

Volgens de commissie zijn er voldoende redenen voor bezorgdheid over de aanwezigheid van stoffen in vooral het aquatische milieu die de geslachtshormoonhuishouding van organismen kunnen ontregelen en daardoor het voortbestaan van soorten in ecosystemen in gevaar kunnen brengen.
Bij sommige soorten zijn effecten op individuen en populaties aangetoond of aannemelijk. Gegevens over de gevolgen daarvan voor levensgemeenschappen en gehele ecosystemen ontbreken. Aangezien maar zeer weinig gericht onderzoek is gedaan naar die gevolgen, is het goed mogelijk dat hormoonontregeling op een grotere schaal voorkomt dan blijkt uit deze inventarisatie. Doordat de laatste jaren veel stoffen zijn onderzocht op hun hormoonontregelende werking is de lijst van (potentiële) hormoonontregelaars sterk gegroeid.
Gezien het grote aantal stoffen die de komende jaren nog onderzocht gaan worden, ligt het in de rede dat het aantal stoffen dat als (potentiële) hormoonontregelaar is aan te merken nog sterk zal toenemen.

Bij het voorgaande moet ook bedacht worden dat Nederland binnen Europa ten aanzien van de aanwezigheid van hormoonontregelaars in het milieu een unieke plaats inneemt. Verschillende Europese rivieren voeren hormoonontregelaars aan naar ons land. Doordat Nederland een sedimentatiegebied is, blijven juist de persistente stoffen achter in de waterbodems. Ook kent ons land een zeer intensieve landbouw waarin diverse stoffen worden gebruikt die (mogelijk) een hormoonontregelende werking hebben. De aanwezigheid van aanzienlijke hoeveelheden natuurlijke hormonen als gevolg van de grote aantallen mensen en vooral landbouwhuisdieren komt daar nog bij.

De commissie beveelt aan om de monitoringsprogramma's vooral te richten op het milieucompartiment water en op mest. Ten aanzien van de natuurlijke hormonen verdienen vooral kleine sloten en mest de hoogste prioriteit. Veel aandacht vragen de 34 stoffen die de commissie heeft geclassificeerd als (potentiële) hormoonontregelaars. Voor sommige van die stoffen, te weten enkele organochloorverbindingen, is overigens al succesvol beleid in uitvoering. Gezien haar constatering dat er weinig veldonderzoek is verricht naar de effecten van hormoonontregelaars in ecosystemen, pleit de commissie voor uitbreiding van de deels al bestaande monitoringsprogramma's.

De commissie vindt het beschikbare instrumentarium voor monitoring van effecten op de geslachtshormoonhuishouding bij dieren weliswaar beperkt maar voldoende. Tot dit instrumentarium behoren ondermeer leeftijdsopbouw en geslachtsverdeling van populaties, verplaatsing van individuen (van indicatorsoorten), in-vitrotests en chemische monitoring. Zij beveelt aan om de bestaande monitoringsprogramma's uit te breiden met sommige van deze technieken. De commissie benadrukt dat er geen beproefde aanpak is: monitoring vereist een iteratief proces van samenwerking tussen disciplines, waarbij stapsgewijs moet blijken welke aanpak de meest effectieve is.


Download publicaties

Gezondheidsraad. Hormoonontregelaars in ecosystemen. Den Haag: Gezondheidsraad, 1999; publicatie nr 1999/13. ISBN  90-5549-270-1

Nieuwsflits