GSM-basisstations
Mobiele telecommunicatie heeft de afgelopen jaren een enorme ontwikkeling doorgemaakt. De snelle verspreiding in de maatschappij heeft, behalve tot vele praktische voordelen die aan het gebruik verbonden zijn, ook geleid tot vragen over mogelijk voor de gezondheid nadelige gevolgen van blootstelling aan de elektromagnetische velden die gebruikt worden voor het draadloos communiceren. Dergelijke vragen leven vooral bij veel mensen die geconfronteerd werden met de plaatsing van een basisstation in hun woonomgeving.
De commissie Elektromagnetische velden van de Gezondheidsraad bespreekt in dit advies, in antwoord op vragen van de betrokken bewindslieden, de opbouw van een basisstation en de elektromagnetische veldsterktes in de omgeving ervan. Zij vergelijkt die veldsterktes met de blootstellingslimieten die zij voorstelt op basis van een overzicht van de wetenschappelijke literatuur.
De commissie handhaaft de op thermische effecten gebaseerde blootstellingslimieten zoals voorgesteld in het in 1997 uitgebrachte advies Radiofrequente elektromagnetische velden (300 Hz – 300 GHz). Niet-thermische effecten bieden geen wetenschappelijke basis voor het vaststellen van blootstellingslimieten. De bewindslieden vragen echter of er aanleiding is om door middel van toepassing van het voorzorgsbeginsel de blootstellingslimieten op een lager niveau vast te stellen dan de waarden die op grond van thermische effecten zijn voorgesteld. De commissie heeft deze vraag pragmatisch benaderd door te onderzoeken of er voor niet-thermische effecten een redelijk vermoeden is van een gezondheidsrisico. Zij vindt dat dit voor geen van de drie in het advies behandelde categorieën niet-thermische effecten – biologische effecten, carcinogenese en aspecifieke klachten – het geval is. Het antwoord op de vraag van de bewindslieden is daarom negatief.De kans dat zich in woon- en werkruimtes onder basisstations gezondheidsproblemen voordoen als gevolg van blootstelling aan de elektromagnetische velden die van de antennes afkomstig zijn, acht de commissie verwaarloosbaar klein. De veldsterktes liggen altijd ruimschoots beneden de blootstellingslimieten.
Op het dakoppervlak zijn de veldsterktes doorgaans hoger dan in de ruimtes onder het dak. Omdat de hoofdbundel van de antennes vrijwel horizontaal is gericht en de antennes meestal enkele meters boven het dakoppervlak zijn gemonteerd, zullen personen die zich op het dakoppervlak bevinden niet worden blootgesteld aan veldsterktes die de blootstellingslimieten voor de algemene bevolking overschrijden.
Als vuistregel kan aangehouden worden dat in de vrije ruimte de minimale afstand tot de antennes in de bundel 3 meter moet zijn en daarbuiten 0,5 meter. Voor de meeste antennes betekent dit weliswaar een extra veiligheidsmarge, maar het is eenvoudiger en praktischer om overal dezelfde afstand aan te houden dan die te laten variëren afhankelijk van het vermogen van de antenne.
Op plaatsen waar het mogelijk is om binnen bovengenoemde afstand van een antenne te komen, dienen maatregelen genomen te worden om dit te voorkomen.
Bij blootstelling onder beroepsmatige omstandigheden, dat wil zeggen van personen die bekend zijn met de risico’s en met maatregelen om ze te verminderen, zijn hogere limieten van toepassing. Bij een afstand van meer dan 10 cm tot de boven-, onder- en achterzijde van een antenne en tot de hoofdbundel zijn geen bijzondere maatregelen nodig. Is de afstand kleiner of dient men zich in de hoofdbundel te begeven, dan moeten veiligheidsmaatregelen genomen worden. Het werkdocument Guidelines for defining working conditions related to exposure to non-ionising electromagnetic fields van het European Telecommunications Standardization Institute (ETSI) geeft hiervoor een goede handreiking.
De commissie vindt dat mensen al tijdens de planningsfase van de bouw van een basisstation in hun woon- of werkomgeving bij de ontwikkelingen betrokken moeten worden. Dat kan veel problemen voorkomen, omdat gezondheidsklachten veelal het gevolg zullen zijn van angst voor het onbekende, te meer als daarbij ook nog ’straling’ een rol speelt. Treden er klachten op, dan dienen deze te allen tijde serieus genomen te worden. Het alsnog geven van voorlichting in situaties waar dat nog niet is gebeurd kan veel problemen wegnemen. Bij aanhoudende klachten zou onderzocht kunnen worden of mogelijk laagfrequent geluid of trillingen een rol spelen.
Bij de huidige veldsterktes in woon- of verblijfruimtes in de nabijheid van basisstations is het vrijwel uitgesloten dat zich storingsproblemen met medische of andere elektrische of elektronische apparatuur voordoen als deze voldoet aan de Europese immuniteitsrichtlijnen. Omdat medische implantaten, zoals insulinepompjes, pacemakers en andere stimulatoren, aan strengere eisen moeten voldoen dan andere medische apparatuur is de kans op storingen bij dergelijke apparaten, met de bijbehorende gezondheidsproblemen, nog kleiner. Mochten toch storingen optreden (en dat zal vrijwel uitsluitend het geval zijn bij niet-medische elektronische apparatuur), dan moeten deze uiteraard altijd zo snel mogelijk opgelost worden. De Regeling storingsklachten biedt daartoe een afdoende handvat.
Er is op dit moment in Nederland geen wettelijke mogelijkheid om plaatsing van antennes (en daarmee ook van basisstations) op grond van gezondheidsoverwegingen te reguleren. De commissie beveelt aan dat hierin wordt voorzien, bijvoorbeeld door wijziging van de Telecommunicatiewet of de Wet Milieubeheer.
De commissie stelt voor om van alle basisstations de technische gegevens, een veldsterkteberekening en eventuele metingen centraal te laten registreren. De Duitse aanpak kan hierbij als voorbeeld dienen. In Duitsland is wettelijk voorgeschreven dat elke antenne-installatie wordt aangemeld bij de autoriteiten en dat deze melding vergezeld gaat van een ’locatiecertificaat’ dat alle hierboven genoemde gegevens van de installatie bevat. Een dergelijke registratie kan van nut zijn bij controle en handhaving en het verstrekken van informatie aan bijvoorbeeld omwonenden.
Er dient op zo kort mogelijke termijn duidelijkheid te komen over de toedeling van verantwoordelijkheden voor controle van de inrichting van de basisstations en van de door de antennes uitgezonden veldsterktes en voor de handhaving van de betreffende regelgeving. Het ligt niet op de weg van de commissie hier verdere uitspraken over te doen, maar zij wijst er wel op dat problemen eenvoudiger opgelost en vaak zelfs voorkomen kunnen worden als het voor het publiek duidelijk is tot welke instantie zich met vragen kan wenden.
Commissie
EMVDownload publicaties
Gezondheidsraad. GSM-basisstations. Den Haag: Gezondheidsraad, 2000; publicatie nr 2000/16. ISBN 90-5549-328-7
