Gezondheidsrisico's van siliconen-borstimplantaten
Wereldwijd hebben één tot twee miljoen vrouwen siliconen-borstimplantaten. Ongeveer 80 procent van hen heeft implantaten laten plaatsen ten behoeve van borstvergroting, de overige 20 procent na het wegnemen van borstweefsel wegens borstkanker of andere aandoeningen. In de jaren tachtig verschenen de eerste berichten over een — mogelijk — verband tussen siliconen-borstimplantaten en auto-immuunziekten. De door deze berichten ontstane ongerustheid, en het ontbreken van voldoende zekerheid over de veiligheid van implantaten, brachten de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) in 1992 tot het besluit het gebruik van implantaten in de Verenigde Staten aan banden te leggen. Deze beslissing leidde, samen met de juridische strijd die in de Verenigde Staten losbarstte tussen (advocaten van) draagsters en fabrikanten van implantaten, tot een versterkte polarisatie in de oordelen over de veiligheid van implantaten.In Nederland zijn er naar schatting 25 000 tot 30 000 draagsters. Ook onder hen bevinden zich vrouwen met ernstige gezondheidsklachten, die zij toeschrijven aan hun implantaten.
De commissie concludeert op grond van de wetenschappelijke literatuur dat het bestaan van een verband tussen siliconen-borstimplantaten en auto-immuunziekten onaannemelijk is. Deze aandoeningen komen in dezelfde mate voor bij vrouwen zonder implantaten. De commissie verwacht dat het niet mogelijk is nu nog epidemiologisch onderzoek naar auto-immuunziekten bij draagsters op te zetten dat iets zal toevoegen aan de al beschikbare kennis.
Sommige onderzoekers maken melding van een versterkte (auto-)immuunreactiviteit bij draagsters. De commissie ziet (auto-)immuunreactiviteit als een normaal voorkomend verschijnsel en auto-immuunziekte als de ontaarding daarvan. Het is haar op dit moment niet duidelijk welke waarde aan de zojuist bedoelde meldingen moet worden toegekend. Zij verwacht dat onderzoek met een lange follow-up bij grotere groepen draagsters met een versterkte (auto-)immuunreactiviteit hierover uitsluitsel kan geven.
De commissie heeft geen aanwijzingen gevonden voor een verhoogde kans op kanker bij vrouwen met borstimplantaten en evenmin voor een verlate detectie van borstkanker. Omdat met standaard-mammografisch onderzoek niet al het klierweefsel bij een draagster is te inspecteren, steunt de commissie het initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Radiologie om screeningsonderzoek bij draagsters te optimaliseren. Gezien de jonge leeftijd van de meeste vrouwen ten tijde van het plaatsen van het implantaat, vindt de commissie langdurige voortzetting van screening van draagsters belangrijk.
De percentages beschadigde implantaten die uit onderzoek naar lokale complicaties naar voren komen, zijn hoog. Feit is evenwel dat de resultaten van dergelijk onderzoek meestal zijn vertekend door selectie bij de totstandkoming van onderzoeksgroepen. De commissie bepleit een landelijke registratie en nauwkeurige follow-up van alle draagsters, met het oog op het zo vroeg mogelijk signaleren van beschadiging. Dit kan ook meer betrouwbare gegevens omtrent implantaatfalen en de consequenties daarvan opleveren.
De commissie ziet kapselvorming en kapselschrompeling als normale reacties op het plaatsen van het implantaat. Niettemin vindt zij vooral kapselschrompeling nijpend omdat dit verschijnsel vaak tot heroperatie noopt. Ook hier zal de bepleite registratie en follow-up van draagsters nauwkeuriger gegevens kunnen opleveren. Verder onderzoek naar de oorzaak van kapselschrompeling is wenselijk. Het kan leiden tot mogelijkheden voor profylactische behandeling van draagsters.
De commissie meent dat adequate voorlichting aan potentiële draagsters van siliconen-implantaten essentieel is. De — individuele — beslissing ten aanzien van het al dan niet laten plaatsen van een implantaat kan pas worden genomen na een gedegen voorlichting. Bij deze voorlichting zou niet alleen moeten worden gesproken over de wel degelijk mogelijke bijwerkingen en risico’s, maar ook — onder vermelding van het gebrek aan wetenschappelijk bewijs — over de door sommige patiënten ervaren klachten waarvoor een oorzakelijk verband met siliconen-implantaten niet is aangetoond. De commissie constateert dat er in de door haar beoordeelde voorlichtingsfolders niet systematisch aandacht wordt besteed aan alle aspecten die zij belangrijk vindt.De wetenschappelijke literatuur laat dus geen verband zien tussen borstimplantaten en de ernstige gezondheidsklachten die sommige draagsters ervaren. Toch bepleit de commissie voor deze vrouwen een serieuze benadering die erop is gericht de klachten te verlichten en de oorzaken ervan te achterhalen.
Download publicaties
Gezondheidsraad. Gezondheidsrisico's van siliconen-borstimplantaten. Den Haag: Gezondheidsraad, 1999; publicatie nr 1999/16. ISBN 90-5549-282-5
