Naar het menu

Bijwerkingen vaccinaties Rijksvaccinatieprogramma 1996

Status

Gepubliceerd
18 mei 1999

Download publicaties

Op verzoek van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport analyseert een commissie van de Gezondheidsraad vermoede bijwerkingen van vaccinaties in het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) en brengt daarover jaarlijks rapport uit. Met ingang van 1996 heeft de commissie haar werkwijze aangepast aan een nieuwe taakopdracht. Zij beoordeelt voortaan uitsluitend meldingen van ernstige of bijzondere verschijnselen en van verschijnselen met blijvende gevolgen. De selectie geschiedt door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), conform de door de commissie geformuleerde criteria. Daarnaast brengt het RIVM jaarlijks verslag uit over alle gemelde vermoede bijwerkingen. De commissie beoordeelt deze RIVM-rapportage.

Voor het verslagjaar 1996 beoordeelde de commissie 42 meldingen, waarbij inbegrepen 14 meldingen uit voorgaande jaren die nog niet in eerdere rapporten van de commissie verwerkt konden worden. Hiervan heeft zij er zeven aangemerkt als ernstige reacties die met een zekere mate van waarschijnlijkheid verband houden met een vaccinatie in het kader van het RVP: twee lokale verschijnselen, twee algemene huidverschijnselen, waarvan één met koorts, één koortsconvulsie, één breath holding spell en één trombocytopenie. Geen van deze bijwerkingen heeft, voor zover de commissie kan overzien, geleid tot blijvende verschijnselen, afgezien van een litteken na een abces. De commissie kreeg de gegevens van zes sterfgevallen voorgelegd. Bij vijf hiervan is volgens haar een oorzakelijk verband met de voorafgaande vaccinatie onwaarschijnlijk. Het zesde sterfgeval is door het ontbreken van uitkomsten van post-mortaal onderzoek niet te beoordelen, maar zou als niet causaal relateerd aan de voorafgaande vaccinatie zijn beoordeeld indien het klinische vermoeden van wiegendood juist zou zijn gebleken.

De commissie stelt vast dat zij in het verslagjaar geen voorheen onbekende bijwerkingen heeft gesignaleerd.

Op het moment van voltooiing van het voorliggende rapport had de commissie de beschikking over het eerste in de reeks jaarlijkse RIVM-rapporten over alle gemelde post-vaccinale gebeurtenissen na RVP-vaccinaties, te weten het verslag over 1994. Het rapport biedt naar het oordeel van de commissie een deugdelijke basis voor de evaluatie van de bijwerkingen van vaccinaties in het RVP.

Op een totaal van ruim twee miljoen vaccinaties rapporteerde het RIVM 590 meldingen van mogelijke of waarschijnlijke bijwerkingen. Al deze bijwerkingen zijn naar hun aard, voor zover de huidige kennis en ervaring strekken, voorbijgaand en op langere termijn onschadelijk.
In aanmerking nemend dat het RVP een groot aantal ernstige ziektegevallen voorkómt, beoordeelt de commissie deze bijwerkingenlast als alleszins aanvaardbaar. Zij ziet in de door het RIVM en haarzelf gerapporteerde bijwerkingen geen aanleiding tot wijzigingen in het RVP.

De commissie beveelt aan:
- de richtlijnen met betrekking tot het Rijksvaccinatieprogramma zorgvuldig in acht te nemen
- in geval van plotseling en onverwacht overlijden multidisciplinair onderzoek te verrichten volgens het geldende protocol (Gen92)
- alle ernstige of ongebruikelijke gebeurtenissen na vaccinaties, ook wanneer ze niet (meer) als contra-indicatie worden beschouwd of ’bekend’ worden verondersteld, en ongeacht de vraag of van een causaal verband sprake is, te melden aan het RIVM(*), met een zo volledig mogelijke beschrijving van verschijnselen en voorgeschiedenis.

(*) RIVM, Afdeling Klinisch Onderzoek van het Laboratorium voor Veldonderzoek Vaccins, Bilthoven, tel 030-2742424, fax 030-2744430

Download publicaties

Gezondheidsraad. Bijwerkingen vaccinaties Rijksvaccinatieprogramma 1996. Den Haag: Gezondheidsraad, 1999; publicatie nr 1999/05. ISBN  90-5549-258-2

Nieuwsflits