Naar het menu

Beoordeling carcinogeniteit van stoffen

Status

Gepubliceerd
18 december 1996

Download publicaties

In 1978 heeft de Gezondheidsraad een methode aanbevolen voor de beoordeling van stoffen op carcinogene (kankerverwekkende) eigenschappen, alsmede voor schatting van het kankerrisico verbonden met blootstelling aan stoffen met dergelijke eigenschappen. Die methode gaat uit van een indeling van carcinogenen in twee categorieën op basis van het werkingsmechanisme: genotoxische en niet-genotoxische. Voor genotoxische carcinogenen wordt aangenomen dat er bij elk niveau van blootstelling een kans op kanker is, met andere woorden: dat voor die carcinogenen geen veilige blootstelling bestaat. Voor niet-genotoxische carcinogenen wordt het bestaan van een drempel verondersteld, een niveau van blootstelling waarbij en waarbeneden geen schadelijk effect optreedt. In het geval van een genotoxisch carcinogeen wordt het risico van blootstelling geschat via lineaire extrapolatie, in dat van een niet-genotoxisch carcinogeen is schatting van de drempel aangewezen. In het voorliggende rapport buigt een commissie van de Raad zich over de vraag of de huidige wetenschappelijke kennis deze aanpak nog rechtvaardigt.
De commissie geeft een overzicht van de stand van wetenschap ter zake. De voornaamste ontwikkelingen die zij in dit verband noemt, houden in dat thans nauwkeuriger bekend is hoe uit een gezonde lichaamscel een kankergezwel ontstaat en dat er wiskundige modellen zijn die dat ontstaan beschrijven. De nieuwe gegevens over de wijze waarop kanker ontstaat, geven steun aan de in 1978 bepleite tweedeling van carcinogene stoffen op basis van hun werkingsmechanisme. Ook elders in de wereld is die tweedeling inmiddels erkend. Wat betreft de ontwikkelingen op het gebied van de wiskundige modellen meent de commissie dat de modellen (nog) niet geschikt zijn voor toepassing bij de risicoschatting, omdat de voor toepassing benodigde gegevens voor de meeste stoffen ontbreken. De in 1978 voorgestelde methode is daarvoor wel geschikt, omdat zij weinig gegevens over een stof vereist en eenvoudig is toe te passen. Ze is bovendien niet strijdig met de zojuist geschetste nieuwe ontwikkelingen en berust op een in brede kring aanvaarde hypothese over de invloed van carcinogenen op moleculair niveau op de in een populatie optredende kankerincidentie. Het is een methode die, mede op grond van de lineaire extrapolatie voor genotoxische carcinogenen, door de commissie als zeer veilig wordt beschouwd, dit wil zeggen dat de kans groot is dat het risico ermee wordt overschat. Die veiligheid acht de commissie wenselijk omdat er niet voldoende gedetailleerde gegevens zijn over de stappen tussen de eerste schadelijke moleculaire verandering in een gezonde lichaamscel en de incidentie van (een of meer soorten) kanker bij mensen of proefdieren.
De commissie geeft (kwalitatief) aan met welke onzekerheden de beoordeling van de carcinogeniteit van stoffen en de risicoschatting behept zijn. De onzekerheden berusten onder meer op (onvermijdelijke) toevalsvariatie en tekortschietend inzicht.
Van die twee speelt tekortschietend inzicht de voornaamste rol. Het gaat hier nog steeds om de beperktheid van de kennis over de wijze waarop kanker ontstaat en de rol van carcinogene stoffen daarbij. Noch een oordeel over de aanwezigheid van carcinogene eigenschappen, noch schatting van het kankerrisico is daarom mogelijk zonder aannames. In het kankeronderzoek is weliswaar grote vooruitgang geboekt, maar die vooruitgang is volgens de commissie niet van dien aard dat hij verbetering van de risicoschattingsmethode mogelijk maakt. Verreweg de meeste onzekerheden die vanouds bij de risicoschatting een rol spelen, zijn blijven bestaan en zullen, naar de commissie verwacht, voorlopig ook niet uit de weg kunnen worden geruimd.
In het licht van de nieuwe gegevens over de ontstaanswijze van kanker en de rol van stoffen daarbij, alsmede in het licht van de gegeven onzekerheden, acht de commissie handhaving van de benadering uit 1978 raadzaam. Maar zij vindt het verstandig de mogelijkheid open te houden er in bijzondere gevallen van af te wijken. Het laatste baseert zij op haar oordeel over enkele genotoxische carcinogenen waarvoor zij op grond van gegevens over hun werkingsmechanisme afleiding van een drempel geschikter vond dan lineaire extrapolatie. Daarom beveelt de commissie aan om de tweedeling van carcinogenen voor de risicoschatting te handhaven, evenals de methode van risicoschatting, en daarop eventueel een uitzondering te maken als de gegevens daar in een concreet geval aanleiding toe geven.

Download publicaties

Gezondheidsraad: Commissie Beoordeling carcinogeniteit van stoffen. Beoordeling carcinogeniteit van stoffen. Rijswijk: Gezondheidsraad 1996; publicatie nr 1996/26. ISBN  90-5549-144-6

Nieuwsflits