Atmosferische verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen: een ecologische risico-evaluatie
De huidige toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen voorziet in een evaluatie van de risico’s van gewasbeschermingsmiddelengebruik voor niet-doelwitorganismen die op en direct naast de behandelde percelen leven. De laatste jaren wordt steeds duidelijker dat genoemde middelen door verspreiding via de lucht ook terecht komen in gebieden op grotere afstand van de toepassingsplaatsen. Daarom heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, mede namens andere bewindslieden, de Gezondheidsraad verzocht de stand der wetenschap omtrent de atmosferische verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen in kaart te brengen en te adviseren over de noodzaak en mogelijkheden om die verspreiding te betrekken bij de risico-evaluatie. In het voorliggende advies presenteert de daartoe ingestelde commissie van de Gezondheidsraad haar bevindingen. Ze doet dat in aansluiting op de resultaten van een door haar georganiseerde internationale workshop over dit onderwerp.
Omvang en betekenis van de atmosferische verspreiding
Het omvangrijke gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen resulteert in de alomtegenwoordigheid van deze stoffen in lucht en regenwater en in hun verspreiding via de atmosfeer over grote gebieden. De atmosferische belasting die hiervan het gevolg is, treft ook gebieden buiten de onmiddellijke omgeving van de toepassingsplaatsen. Ze is enkele orden van grootte lager dan de aanvoer op de behandelde percelen zelf en ten minste een à twee orden van grootte lager dan de belasting van de aangrenzende bermen, kavelsloten en dergelijke. Over de ecologische betekenis van deze atmosferische aanvoer bestaat nog veel onzekerheid. De kwaliteit van het regenwater voldoet echter dikwijls niet aan op toxiciteitsgegevens gestoelde normen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Daarom acht de commissie ecologische schade buiten de onmiddellijke omgeving van de behandelde percelen niet uitgesloten. Mede gelet op de grootschaligheid van het probleem vindt ze een inperking van de risico’s van atmosferische verspreiding aangewezen om de instandhouding van natuurwaarden te waarborgen. De meest doeltreffende manier is vermindering van het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen, maar aanscherping van het toelatingsbeleid is eveneens nodig. Dit beleid is nu alleen gericht op het beperken van de milieuschade op en rond de behandelde percelen als gevolg van de rechtstreekse toediening en depositie van druppels spuitvloeistof op de naastgelegen kavelsloot. Dat is echter, naar de mening van de commissie, onvoldoende om schade op grotere afstand ten gevolge van atmosferische verspreiding te voorkomen. Het feit dat uit die verspreiding een relatief geringe belasting resulteert, doet daar niets aan af. Het blootstellingspatroon ten gevolge van atmosferisch transport wijkt namelijk aanzienlijk af van dat door rechtstreekse toediening of drift van druppels spuitvloeistof. Het wordt gekarakteriseerd door een chronische blootstelling aan, mogelijkerwijs, een heel scala van gewasbeschermingsmiddelen. Bovendien kunnen in natuurgebieden omstandigheden heersen die het gedrag (omzetting, mobiliteit) van gewasbeschermingsmiddelen kunnen beïnvloeden (lage pH, geringe beschikbaarheid van voedingsstoffen, lage temperatuur en bijgevolg een geringe microbiële activiteit), terwijl daar aanwezige populaties van organismen en levensgemeenschappen verhoudingsgewijs wellicht extra kwetsbaar zijn.
Emissie naar de atmosfeer
De commissie onderschrijft de conclusie van de workshop dat de aanvullende risicobeoordeling het best kan gebeuren volgens een getrapte procedure. In de eerste stap van deze procedure worden gewasbeschermingsmiddelen op eenvoudige wijze gerubriceerd in enerzijds stoffen waarvoor de atmosferische verspreiding met grote waarschijnlijkheid geen probleem vormt en anderzijds stoffen waarvoor een nadere evaluatie nodig is. Deze eerste schifting dient gebaseerd te worden op de mate waarin het middel tijdens of na de toediening in de atmosfeer terecht kan komen. Aan die mate moet, bij voorkeur afhankelijk van de toxiciteit, de persistentie, de bio-accumuleerbaarheid en het (verwachte) verbruiksvolume van het middel, een grens worden gesteld.
Risico’s van atmosferisch transport over middellange afstand
Voor gewasbeschermingsmiddelen die in de eerste stap als probleemstoffen zijn aangemerkt, moet in een tweede stap een nadere evaluatie plaatsvinden van de risico’s die voortvloeien uit atmosferische verspreiding over middellange afstand (tot enige tientallen kilometers afstand van de toepassingsplaats). Deze moet gebaseerd zijn op het vergelijken van de verwachte blootstelling van organismen met hun verwachte gevoeligheid. Er zijn modellen beschikbaar om de atmosferische aanvoer van gewasbeschermingsmiddelen naar natuurgebieden te schatten. Vervolgens kunnen bodem- en waterkwaliteitsmodellen gebruikt worden voor het schatten van de blootstelling in de diverse milieucompartimenten. Er is echter een tekort aan gegevens over het gedrag van gewasbeschermingsmiddelen (o.a. omzettingssnelheid, hechting aan organisch materiaal) onder de in natuurgebieden heersende condities. Ook zijn er, althans voor representatieve soorten, onvoldoende toxiciteitsgegevens. De commissie bepleit daarom dat de evaluatie wordt gebaseerd op de gegevens, conform de huidige procedure door de fabrikant te leveren, die betrekking hebben op omstandigheden in agrarische gebieden en op standaardtestorganismen. De onzekerheid over de geldigheid van deze gegevens voor natuurgebieden en over de gevolgen van de blootstelling aan meerdere stoffen tegelijkertijd kan gecompenseerd worden door voorlopig strengere eisen te stellen aan de verhouding tussen blootstelling en gevoeligheid dan bij de evaluatie van de risico’s voor organismen op en nabij de landbouwpercelen. De commissie pleit voor onderzoek naar de invloed van in natuurgebieden heersende omstandigheden op het gedrag van gewasbeschermingsmiddelen en naar de gevoeligheid en het herstelvermogen van daar levende organismen en populaties. Uit dergelijk onderzoek zal moeten blijken in welke mate die strengere eisen passend zijn. Als een middel niet aan het verhoudingscriterium voldoet, kan men de fabrikant in de gelegenheid stellen met aanvullende onderzoeksgegevens aan te tonen dat onaanvaardbare effecten in de praktijk uitblijven.
Risico’s van atmosferisch transport over lange afstand
In de tweede stap moet tevens geschat worden wat het vermogen van een stof is om zich over lange afstanden (meer dan duizend kilometer) te verplaatsen. Dat kan door berekening van een atmosferisch-transportpotentiaal. Deze potentiaal kwantificeert hetzij de tijd waarin de helft van de geëmitteerde stof weer uit de atmosfeer verdwenen is, hetzij de in die tijd afgelegde afstand bij een gepostuleerde, constante windsnelheid. Voor de berekening ervan moet de omzetting van het gewasbeschermingsmiddel in de lucht bekend zijn. De beste maat daarvoor is de reactiesnelheidsconstante voor de reactie van een middel met in de lucht aanwezige OH-radicalen, de kOH. De commissie bepleit dat fabrikanten verplicht worden een waarde van deze grootheid voor de risicobeoordeling beschikbaar te stellen. Deze moet bepaald worden volgens een nog op te stellen internationaal aanvaard protocol. De commissie raadt aan om de waarde voor de atmosferisch-transportpotentiaal waarboven een nadere risico-evaluatie wegens transport over lange afstand nodig is, af te laten hangen van de toxiciteit, de persistentie, de bio-accumuleerbaarheid en het (verwachte) verbruiksvolume van een gewasbeschermingsmiddel.
De risico-evaluatie voor transport over lange afstand kan berusten op de verhouding tussen de verwachte blootstelling en de verwachte gevoeligheid van in verafgelegen gebieden levende organismen. De commissie beveelt aan om ook deze berekening te baseren op de door de fabrikant nu reeds te leveren gegevens. De grenswaarde voor die verhouding moet echter scherper gesteld worden dan bij de evaluatie van de risico’s voor transport over middellange afstand, omdat de onzekerheid over de geldigheid van de gebruikte gegevens groter is. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen in welke mate de omstandigheden en de kwetsbaarheid van organismen in afgelegen gebieden een scherpere grenswaarde noodzakelijk maken.
In het algemeen nemen de onzekerheden in de berekening van de op een bepaalde afstand van de toepassingsplaats te verwachten blootstelling toe met toenemende transportafstand. Daarom zal de berekening van de verhouding tussen blootstelling en gevoeligheid voor organismen in verafgelegen natuurgebieden met meer onzekerheid behept zijn. Dit kan een argument zijn om stoffen met een te grote atmosferisch-transportpotentiaal bij voorbaat te verbieden. Gezien het grensoverschrijdend karakter van lange-afstandstransport vergt dat internationale overeenstemming.
Operationalisering
De commissie denkt dat de geschetste procedure binnen ongeveer vijf jaar operationeel kan zijn. Om vast te kunnen stellen of die procedure adequaat is om de risico’s van atmosferische verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen te beperken, acht zij monitoring van de lucht- en neerslagkwaliteit noodzakelijk. Dit geldt des te meer omdat in de toelatingsprocedure slechts wordt gekeken naar de risico’s van afzonderlijke gewasbeschermingsmiddelen. Uit de monitoringgegevens kan blijken dat zich toch problemen (bijvoorbeeld te hoge concentraties in regenwater) voordoen door toelating van verschillende middelen met dezelfde werkzame stof of met eenzelfde werkingsmechanisme. In die gevallen dient men te bezien of dit consequenties moet hebben voor de hele groep van middelen of slechts voor bepaalde, bijvoorbeeld de best misbare. De resultaten van monitoring kunnen tevens gebruikt worden ter verdere validatie en verbetering van de gebruikte modellen. Ten slotte wijst de commissie erop dat de door haar beoogde aanpassing van de huidige toelatingsprocedure slechts in internationaal verband, in eerste instantie op het niveau van de Europese Unie, haar beslag kan krijgen.
Download publicaties
Gezondheidsraad. Atmosferische verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen: een ecologische risico-evaluatie.. Den Haag: Gezondheidsraad, 2000; publicatie nr 2000/03. ISBN 90-5549-304-X
