Advies Onderzoek Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde
De ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCenW) hebben de Raad voor Gezondheidsonderzoek (RGO) gevraagd de kennislacunes op het gebied van Public Health nader in kaart te brengen. Naar aanleiding van deze adviesaanvraag heeft de RGO geconstateerd dat aandacht nodig was voor het thema Arbeid en gezondheid. De Raad heeft er, mede in overleg met het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), voor gekozen dit terrein te behandelen in twee deeladviezen, waarvan het voorliggende eerste deel gewijd is aan onderzoek op het gebied van arbeids- en bedrijfsgeneeskunde. In vervolg hierop zal een advies uitgebracht worden dat aandacht schenkt aan verzekeringsgeneeskunde.
In dit advies is de Raad uitgegaan van het handelen van de bedrijfsarts binnen het vakgebied van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde. In het beroepsprofiel van de bedrijfsarts kan men vier groepen van taken onderscheiden: werkzaamheden bij de uitvoering van het arbeidsomstandighedenbeleid, uitvoering van het reïntegratiebeleid, curatieve taken en andere, ondersteunende taken. Verreweg de meeste bedrijfsartsen vervullen hun taken vanuit een arbodienst. Zij voeren deze taken uit in teamverband met andere arbo-disciplines, waaronder arbeids- en organisatiedeskundigen, arbeidshygiënisten en veiligheidskundigen. Het advies beschrijft kort de raakvlakken met andere arbo-disciplines en medische disciplines, maar blijft verder beperkt tot het onderzoek en de onderzoeksinfrastructuur op het terrein van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde.
Lopend onderzoek en behoefte aan kennis
De Raad heeft aan de hand van semi-gestructureerde interviews het lopend onderzoek en de behoefte aan kennis op dit gebied in Nederland geïnventariseerd. De omvang van het bestaande onderzoek wordt geschat op in totaal ruim 160 fte wetenschappelijk personeel, verdeeld over twaalf universitaire en buitenuniversitaire instellingen. Bij veel onderzoeksinstellingen is de omvang van het onderzoek (te) klein, met uitzondering van TNO Arbeid (67 fte). De Raad concludeert dat het onderzoekspotentieel in Nederland relatief beperkt is, zeker in relatie tot de gesignaleerde onderzoeksbehoeften ter versterking van de kwaliteit van de bedrijfsgeneeskundige zorg en de omvang van de maatschappelijke problematiek waarvoor deze zorg zich gesteld ziet.
In het onderzoek heeft de Raad vier thema’s onderscheiden: arbeid en gezondheid; arbeidsverzuim en reïntegratie; interventie-ontwikkeling en -evaluatie; kwaliteit en doelmatigheid van de bedrijfsgeneeskundige dienstverlening. Per thema is het lopend onderzoek in beeld gebracht. De nadruk blijkt overwegend te liggen op algemeen onderbouwend onderzoek op het terrein van arbeid, gezondheid en ziekteverzuim. Dit onderzoek is zeker van belang voor het functioneren van de bedrijfsarts, maar slechts voor een beperkt deel direct van toepassing op bevordering van de kwaliteit van het bedrijfsgeneeskundig handelen.
Ook de behoefte aan onderzoek is in beeld gebracht en gerangschikt volgens de genoemde vier thema’s. Op alle vier de thema’s bestaan onderzoeksvragen met een wisselende mate van urgentie. Deze behoefte aan onderzoek is afgezet tegen het gesignaleerde aanbod. Vervolgens heeft de Raad prioriteiten voor onderzoek vastgesteld. De hoogste prioriteit is gegeven aan thema’s waar een urgente behoefte aan onderzoek is, maar waarbij geen of onvoldoende aanbod van onderzoek is. Dit zijn de thema’s ‘Interventieontwikkeling en -evaluatie’ en ‘Kwaliteit en doelmatigheid van de bedrijfsgeneeskundige dienstverlening’. Het eerste thema omvat wetenschappelijk onderzoek ter onderbouwing van bestaande interventies en instrumenten (onderzoek naar kosteneffectiviteit en toepasbaarheid) en de ontwikkeling van nieuwe instrumenten en interventies. Het tweede thema betreft onderzoeksvragen naar de rol en positie van de bedrijfsarts bij het uitvoeren en de organisatie van het arbo- en verzuimbeleid en onderzoek naar de kosten-effectiviteit van de bedrijfsgeneeskundige dienstverlening als geheel.
Onderzoeksinfrastructuur en kennisoverdracht
Naast de omvang en inhoud van het onderzoek heeft de Raad ook de huidige onderzoeksinfrastructuur en de wijze van kennisoverdracht globaal in beeld gebracht. Daarbij is beperkt aandacht besteed aan de organisatie van het onderzoek in het buitenland.
In het basiscurriculum van de meeste medische opleidingen blijkt weinig tot geen aandacht voor arbeids- en bedrijfsgeneeskunde te zijn. Er zijn op dit moment in Nederland slechts twee leerstoelen op dit terrein. In academische werkplaatsen voor arbeids- en bedrijfsgeneeskunde wordt nauwelijks geïnvesteerd. Daar komt bij dat voor bedrijfsartsen bij arbodiensten weinig mogelijkheden bestaan tot deelname aan wetenschappelijk onderzoek in samenwerking met universiteiten en extra-universitaire instellingen.
Onderzoek op het gebied van de arbeids- en bedrijfsgeneeskunde wordt veelal gefinancierd uit de tweede geldstroom, waarvan een groot deel afkomstig is uit het Thema Arbeid en Gezondheid van ZonMw. Overigens ontbreekt een landelijke afstemming en programmering voor onderzoek op dit terrein. De Raad concludeert dat door de sterke afhankelijkheid van subsidies uit de tweede geldstroom een stabiele onderzoeksstructuur op veel plaatsen ontbreekt. De opleiding tot bedrijfsarts is een belangrijke weg waarlangs (wetenschappelijk ontwikkelde) kennis bij de praktijk terecht komt. De opleiding is gecentraliseerd in twee plaatsen: de NSPOH (die ook na- en bijscholing verzorgt) en het Centrum voor Arbeid en Gezondheid van de KUN. Binnen de huidige opleiding tot bedrijfsarts ontbreekt het aan uitgebreide en meer flexibele faciliteiten voor scholing in wetenschappelijk onderzoek. Deze opleiding wordt momenteel vernieuwd. De Raad beschouwt dit als een gunstige ontwikkeling en beveelt aan een sterkere relatie tot stand te brengen tussen de opleiding en onderzoeksinstellingen.
Er zijn verschillende activiteiten ontplooid om de overdracht van kennis uit onderzoek naar de praktijk te bevorderen. Het advies geeft een overzicht van negen van deze activiteiten, variërend van het Nederlandse Focal Point voor Veiligheid en Gezondheid op het Werk en de Nederlandse kenniscentra voor arbeidsrelevante aandoeningen tot de Arbobalans van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). Er wordt door de Raad getwijfeld aan de doelmatigheid van de huidige structuur van deze activiteiten. De structuur is ondoorzichtig voor zowel de onderzoekswereld als het praktijkveld. De contacten tussen de onderzoekswereld en het praktijkveld zijn beperkt. De samenwerking tussen onderzoeksinstellingen en instellingen die de verspreiding van onderzoeksresultaten als missie hebben kan aanmerkelijk worden verbeterd.
De Raad concludeert dat er behoefte is aan een vorm van centrale regie, zodat het veld optimaal toegang heeft tot de meest recente en relevante wetenschappelijke kennis. Versterking van de inbedding van de vier landelijke kenniscentra in het netwerk van het bedrijfsgeneeskundig onderzoek en in de praktijk is nodig teneinde hun zichtbaarheid te vergroten en inhoud te kunnen geven aan hun beoogde landelijke positionering.
Om het onderzoek en de onderzoeksinfrastructuur op het terrein van de arbeidsen bedrijfsgeneeskunde te versterken, stelt de RGO voor een stimuleringsprogramma op te zetten. In dit stimuleringsprogramma zouden de twee geprioriteerde thema’s uitgewerkt moeten worden. Het voorstel van de Raad behelst een twee-sporenbenadering: ten eerste een versterking van de infrastructuur in de vorm van onderzoekscentra, ten tweede een onderzoeksprogramma met een bottom up procedure voor subsidieaanvragen.
De ontwikkeling van twee à drie onderzoekscentra zou kunnen plaatsvinden door hechte bundelingen van universitair en extra-universitair onderzoek. Aldus valt verbetering te brengen in het versnipperde karakter van de huidige onderzoeksinfrastructuur. Bestaande onderzoeksinstellingen zouden hiervoor zelf plannen moeten opstellen. In het advies formuleert de Raad een aantal voorwaarden voor de goedkeuring van dergelijke plannen. In deze plannen moet afstemming en samenwerking met instellingen die zorg dragen voor de kennisoverdracht, zijn gewaarborgd.
De Raad heeft een schatting gemaakt van de bedragen die nodig zijn voor de ontwikkeling van de onderzoekscentra en het onderzoeksprogramma. De helft van de kosten voor de onderzoekscentra dienen ten laste te komen van de organisaties die in de centra participeren. Naar verwachting zullen partijen uit het veld bereid zijn bij te dragen aan het onderzoeksprogramma, in de vorm van geld maar bijvoorbeeld ook door het vrijmaken van bedrijfsartsen voor het uitvoeren van onderzoek. Naar het oordeel van de Raad zou voor het onderzoeksprogramma een verdeling in de financieringsbijdragen van 2/3 overheid (VWS & SZW)en 1/3 praktijkveld haalbaar moeten zijn.
De Raad heeft voor het stimuleringsprogramma een looptijd van 6 tot 8 jaar in gedachten. Uitgaande van een looptijd van 8 jaar en de instelling van 2 onderzoekscentra zal een bijdrage van de overheid van in totaal circa € 13 miljoen noodzakelijk zijn. Hier bovenop komen nog de bijdragen van de participanten in de onderzoekscentra. Een deel van het totaalbudget (in de orde van grootte van 10%) dient gereserveerd te worden voor de eerder genoemde maatregelen om de kennisoverdracht en -implementatie te bevorderen.
Nadere uitwerking, sturing, coördinatie en kwaliteitsbewaking voor beide sporen van het stimuleringsprogramma zouden ondergebracht kunnen worden bij ZonMw. Ten slotte verdient het aanbeveling een financieringsoverleg in te stellen, waarin naast de overheid ook vertegenwoordigers van overige financierende instanties zitting hebben. Een belangrijke functie van dit financieringsoverleg is de beoordeling en vaststelling van de langere-termijnstrategie voor het stimuleringsprogramma.
Commissie
RGODownload publicaties
Raad voor gezonhdiesonderzoek: Advies Onderzoek Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde. Den Haag: Raad voor Gezondheidsonderzoek, 2003; publicatie nr 41.
